Voor alle kinderen van de tweede generatie en de Indische gemeenschap
Achter de glimlach… voor wie écht durft te kijken, raakt precies de kern: heel veel herkenbaarheid. Niet alleen binnen de Indische gemeenschap, maar in elke familie waar stilte de taal werd en waar kinderen leerden voelen wat nooit werd uitgesproken.
De muren in ons huis waren niet alleen van steen; ze waren opgetrokken uit een ondoordringbaar soort stilzwijgen. Als zoon van een dienstplichtig Indië-militair groeiden wij op in een wereld waarin veel werd aangevoeld, maar niets werd uitgesproken. De sfeer onder ons dak was vaak kil, de opvoeding streng en gevoelsmatig liefdeloos. Als kind verzette ik me daartegen. Ik snakte naar warmte, naar een vader die er écht was, naar een moeder die de rust kon bewaren. Maar ik botste telkens weer tegen die onzichtbare, harde muur op. Het maakte dat ik vroeger het liefst wegvluchtte van huis, weg van de drukkende spanning die ik niet kon thuisbrengen.
Pas veel later, met het omslaan van de bladzijden van het boek “Achter mijn glimlach,” vielen de puzzelstukken op hun plek. Hoewel geschreven vanuit jullie Indische gemeenschap, stroomde de herkenbaarheid als een warme, maar pijnlijke golf door me heen. Ik ben weliswaar geen Indo, maar de emotionele erfenis bleek identiek. De verhalen van de Indische kinderen legden exact bloot waar wij thuis onder gebukt gingen: de onderdrukte trauma’s, de plotselinge buien en die allesoverheersende stiltes waarin het verleden als een schaduw meereisde. Onze huizen stonden weliswaar in verschillende straten, maar de onzichtbare blauwdruk was exact dezelfde.
Nu, met de wijsheid van de jaren en de moed om écht te kijken, ebt het oude verzet langzaam weg. De verwijten die ik zo lang in gedachten met me meedroeg, lossen op. Het maakt plaats voor iets dat veel groter is: een diep, golvend begrip. Het gesprek aan de keukentafel. Het is laat, misschien te laat voor de levende stemmen, maar beter laat dan nooit. Wat zou ik nu graag met mijn ouders aan de keukentafel willen zitten. Zonder de ruis van vroeger, zonder de muren van stilte, en bovenal: zonder enig verwijt. Ik zou ze willen aankijken en de woorden spreken die toen nooit een weg naar buiten vonden. Ik zou je willen vertellen, heit, dat ik nu pas zie waarom je altijd aan het werk was. Het was geen vlucht weg van ons, het was een bittere noodzaak om te overleven. Je werkte om de demonen en de herinneringen aan de Indië-periode in je hoofd te overstemmen. Je deed het om niet te hoeven denken, en tegelijkertijd deed je het om ons het beste te geven wat je in je had. Het was jouw manier om voor ons te zorgen. Het was jouw vorm van liefde.
En mem, ik zou je willen vasthouden. Als kind begreep ik niet waarom je soms voor langere periodes verdween naar rusthuizen. Ik heb er nog steeds geen volledig vat op wat er destijds precies met je gebeurde en waar de grens lag. Kwam het door de loodzware schaduw van vaders uitzending die over ons gezin hing? Of was het jouw eigen geschiedenis, getekend door de knellende dogma’s van een streng gereformeerde opvoeding, die je ademruimte ontnam? Waarschijnlijk was het een optelsom van beide: twee werelden vol zwijgen en zware lasten die onder één dak samenkwamen. Ik begrijp nu dat de druk op jouw schouders simpelweg te groot is geweest en dat de psychische rek er destijds volledig uit was. Ik weet nu dat ik mijn ouders niks te verwijten heb. De liefdeloosheid van toen was geen onwil, maar pure onmacht. Ze werden geconfronteerd met de gruwelen van een verre oorlog of gevormd door een rigide geloofsovertuiging, en moesten daarna overeind blijven in een koud Nederland dat geen oog had voor hun innerlijke strijd. Ze overleefden door de luiken te sluiten, omdat de rugzakken die ze droegen te zwaar waren om te openen. Hun hardheid en hun stiltes waren hun enige schild. Zij streden hun eigen, eenzame strijd in het donker, terwijl wij als kinderen in diezelfde schaduw opgroeiden. Nu pas begrijp ik dat zij de warmte die we zo misten, simpelweg niet konden geven omdat hun eigen reserves al lang waren opgebrand. Dit inzicht wist de pijn van een eenzame jeugd niet uit, maar het brengt een diepe, helende rust. Het verzet is voorbij. Wat overblijft is een diepe verbondenheid tussen onze gemeenschappen, en een grenzeloze compassie voor een generatie ouders die, gevangen in hun eigen onzichtbare strijd, alles gaven wat ze nog over hadden om overeind te blijven.
Vanuit het donker, stap voor stap, naar het licht.

