Nederlands-Indië in ons gezin
In ons gezin, vader, moeder en drie dochters, werd er nauwelijks gesproken over het feit dat onze Pa naar Nederlands-Indië was geweest. Sinds een paar jaar weet ik, dit gold voor bijna alle militairen die zowel vrijwillig als verplicht daarheen waren gegaan. Er niet over praten was zeker niet hun eigen keuze. In het boek Tabé Java, Tabé Indië van Ronald Nijboer lees ik dat vanuit de regering de mannen bij terugkeer een duidelijke boodschap kregen: “Niet over praten, we moeten vooruit denken”.
“Papa heeft het zwaar gehad in Nederlands-Indië”, zei mijn moeder dan als het al ter sprake kwam. Een understatement… Dat was wel zo’n beetje het enige dat ik me herinner. En met zo’n mededeling voel je de onderliggende boodschap “hou er maar over op, vraag vooral niet verder”.
Dus vroegen we niet naar zijn belevenissen in Nederlands-Indië. Nooit.

In onze flat stonden hier en daar wat meegebrachte souvenirs en er hing een gebatikte lap stof aan een muur. Ik kan me de bruin getinte lap herinneren, maar waar die precies hing kan ik me niet meer voor de geest halen.
Nederlands-Indië was zeker ‘aanwezig’ in ons gezin. Het was een aanwezigheid die soms zwaar voelde. Erover praten gebeurde niet en er naar vragen deden we niet. De zwaarte zat hem vooral in het onuitgesprokene.
Toch kijk ik terug op een gelukkige jeugd. En dat geldt zeker ook voor mijn oudste zus Annemargreet. Zij was ruim zes en half jaar ouder dan ik en op het moment dat mijn vader toenemende gezondheidsproblemen kreeg allang het huis uit. We waren al gewend aan een vader die heel vaak hoofdpijn had. De Chefarines (pijnstillers) waren niet aan te slepen, ik kan me het doorzichtige buisje met het rode dopje nog zo voor de geest halen.
Ook is hij een tijd overspannen geweest. Zelf kan ik me daar niets meer van herinneren. Maar Annemargreet weet nog dat ik, als baby of dreumes, de enige was die hij bij zich in de buurt kon velen. Hij was altijd al gek op kleine kinderen, dat lezen we ook regelmatig in zijn brieven uit de periode dat hij in Indië zat.
De moeilijke relatie met mijn vader begon in mijn pubertijd. Hij kreeg meerdere hersenbloedingen waardoor hij uiteindelijk afasie ontwikkelde. En dat moet voor iemand die zich talig zo fraai kan uitdrukken heel heftig zijn geweest. Weer een trauma erbij.
Als kind wist je eigenlijk niet veel over wat er gebeurd was in Nederlands-Indië. De geschiedenislessen op school vertelden over de koloniën die van ‘ons’ waren en dat nam je zonder meer voor waarheid aan.
Mijn ouders waren loyaal aan het koningshuis en gezagsgetrouw naar de overheid toe. Ze waren niet bijzonder maatschappijkritisch en echt discussiëren over wereldse problemen kan ik me niet herinneren. We waren een doorsnee gezin.
Wij kinderen waren nauwelijks op de hoogte van de trauma’s die mijn vader had opgelopen en ik vraag me ook af in hoeverre mijn moeder geweten heeft van de vele traumatische ervaringen van mijn vader.
Wat heeft hij haar verteld? De ontberingen? De gruwelijkheden? De emoties die hij had als hij iemand had dood geschoten? De emoties rondom het verlies van een kameraad? Hebben zij er ooit wel samen over gesproken?
Er is ons wel een verhaal bekend dat mijn vader mijn moeder ophaalde van het station in Amersfoort, ze hadden net verkering. Hij was nog niet zo lang terug uit Nederlands-Indië, het zal in de tweede helft van 1949 zijn geweest. Bij iedere harde knal die hij hoorde dook hij weg achter het dichtstbijzijnde object of in een bosje. Dit verhaal is nooit door mijn vader verteld, het is mijn moeder die dit doorgaf. Als kinderen hebben wij dit zelf niet meegemaakt.

Lies
Van één traumatische ervaring is ze vast niet op de hoogte geweest. De briefwisseling tussen mijn vader en Lies, een jonge vrouw uit Sittard. Toen mijn vader naar Nederlands-Indië ging kende hij mijn moeder al wel, maar van een relatie was nog geen sprake. En als Lies indertijd gekozen had voor mijn vader, had ik hier nu niet gezeten.
Mijn moeder overleed in augustus 2021 op de leeftijd van 98 jaar en nog goed bij geest. Volgens Annemargreet en mij heeft zij niets geweten van de brieven.
Toch zijn het juist die brieven die mij een hele andere kijk op mijn vader hebben gegeven.
Hoe het allemaal begon
In december 2023 krijg ik een mail van Heleen Hummelen die het begin is van een mooi avontuur dat tot op vandaag de dag voortduurt. Heleen is in verband met het ontwikkelen van een podcast op zoek naar nabestaanden van Joop Sloksoede. Omdat mijn vader van de kant van zijn vader ook nog een paar neven had met die naam, ‘Joop’ was blijkbaar favoriet in die dagen, heeft ze eerst op een verkeerd spoor gezeten. Zodoende moet ze verifiëren of ze nu wel de juiste nabestaande heeft. Ze stelt een paar vragen waar ik onmiddellijk een goed antwoord op heb. Dat resulteert in een hele bijzondere mededeling: er zijn brieven gevonden van mijn vader, gericht aan een vrouw uit Sittard, Lies Vluggen. Brieven uit de tijd dat hij in Nederlands-Indië zat en die in aantal een nogal flinke hoeveelheid omvatten. Een soort liefdesrelatie op papier.
Het maakt zowel mijn zus Annemargreet als mij heel nieuwsgierig.
De brieven van mijn vader zijn niet de enige brieven van Lies die zijn gevonden. In de koffer die is aangeboden aan het gemeentearchief zaten ruim 900 brieven, allemaal gericht aan Lies. Zo’n 600 brieven waren liefdesbrieven van meer dan veertig mannen, waaronder dus ook mijn vader.
In de periode 1945 – 1952 schrijft Lies met meer dan veertig mannen die allemaal denken dat zij de ware is. Mijn vader steekt met kop en schouders er bovenuit qua aantal brieven. Bijna 150 brieven heeft hij haar geschreven. Sommige mannen komen niet verder dan een paar brieven, zelfs Toon Hermans heeft het na twaalf brieven wel gehad met Lies.
Noemenswaardig is wel dat gedurende de periode dat Lies met mijn vader schrijft, zij geen of weinig briefcontact heeft met andere mannen.
De koffer met de brieven die in 2017 is aangeboden aan het gemeentearchief van Sittard.
De briefwisseling met Lies
Nog voordat mijn vader vertrok naar Nederlands-Indië waren daar al een aantal kattenbelletjes naar Lies. Met het serieuze schrijven begon hij terwijl hij op de boot (MS Tegelberg) zat. De hoop dat zij terugschreef werd al gauw bevestigd als bij de eerste post uit Nederland twee brieven van haar zitten. Hij schrijft haar dagelijks, soms zelfs meerdere keren per dag.
Er spreekt een enorm verlangen naar Lies uit de brieven van mijn vader. Hij wil haar het liefste daar bij zich hebben. Maar als het dan te gevaarlijk wordt, kiest hij toch liever voor haar veiligheid in Nederland. Zijn verzoeken om een foto worden slechts mondjesmaat beloond. En als hij dan een foto krijgt is hij zo blij als een kind. Hij fantaseert vooral over een rustig leven met haar, in een wit huisje met een grasveld ervoor en twee kindertjes.
En dat is waarschijnlijk precies waar het mis ging.
Toen mijn boek uitkwam was de podcast nog niet gelanceerd. Pas in de laatste aflevering van de podcast werd duidelijk dat Lies voor de Sittardse Theo had gekozen, een saaie boekhouder. Haar keuze is waarschijnlijk voortgekomen uit de wens een welvarend leven te kunnen leiden, met bontjassen, mooie kleding, sieraden en terrasjes, zonder zorgen. En daar pasten zeker geen kinderen bij. In november 1948 schrijft mijn vader ‘als ik thuiskom kan ik je niets anders aanbieden dan mijn liefde, geen huis, geen baan, niets’.
Inwonen bij zijn ouders en broer en zus. En daar zat Lies niet op te wachten.
De meeste brieven beslaan het eerste jaar dat hij op Java zit, dat is de periode van november 1946 tot eind 1947.
In juli 1947 sneuvelt er een maat van hem. In zijn fotoboek heeft hij vijf bladzijdes volgeplakt met foto’s van Jos en van de uitvaart. Maar van alle vrienden die wel eens ter sprake kwamen, voor zover ik me het kan herinneren, was Jos er geen.
Heel bijzonder is het feit dat zowel zijn ouders als ook zijn broer Dick en zus Ada op de hoogte waren van Lies. Lies is op visite geweest in Amersfoort en in één van de brieven van de vriend van Ada is er sprake van een logeerpartij van Ada bij Lies in Sittard. Mijn opa is zelfs een keer naar de ouders van Lies afgereisd en ook dat was goed bevallen. Mijn oma is gek op Lies en vraagt meerderen keren waarom Lies niet vaker langs komt in Amersfoort. Ze wil zo graag met Lies over Joop praten.
Omdat er tussen alle brieven in de koffer geen foto’s waren gevonden, vroeg Heleen of wij misschien foto’s in ons bezit hadden waar Lies op stond. Want Lies was een groot mysterie.
Mijn vader was waarschijnlijk één van de weinige mannen die Lies in het echt al had ontmoet voordat hij naar Nederlands-Indië vertrok. Deze foto is gemaakt in Katwijk aan Zee, het dorp waar we later (eind jaren 50, begin jaren 60) als gezin jaarlijks naartoe op vakantie zouden gaan…
Er was een vermoeden dat dit Lies kon zijn, zeker weten deden we het niet.
Vanaf half oktober 1947 komen er dan ineens van haar geen brieven meer. Medio december stuurt hij haar een brief waar ik zowel heel verdrietig als heel boos van werd. Verdrietig omdat ze hem geen uitleg geeft over het stoppen met schrijven, boos omdat ze weet hoe belangrijk die brieven waren. Ze had er zelfs een column over geschreven in de Pen-Gun… Hoe kon ze!
Het is de enige brief die mijn vader heeft ondertekend met zijn eigen naam “Joop”, alle andere brieven ondertekende hij met ‘Frankie’ (verwijzing naar Frank Sinatra), dat zegt toch al genoeg. Hij was er op dat moment klaar mee.
Als hij half januari 1948 toch weer een brief krijgt is hij zo blij dat hij haar onmiddellijk een telegram stuurt met de mededeling dat hij haar heeft vergeven. Hij is de koning te rijk. Maar haar schrijverij herstelt zich niet zoals hij had gehoopt. Na twee brieven wordt het weer maanden stil. Als haar brieven vanaf oktober 1948 weer wat regelmatiger komen, worden zijn brieven naar haar toch af en toe wat anders van toon. Ze heeft hem duidelijk diep gekwetst.
Vanaf eind ‘48 schrijft ze met Theo van de Molengraft, de man die later haar echtgenoot werd. Pa kreeg eind december nog een brief van haar, gedateerd op 14 december. Hij reageert op deze brief met de veelzeggende woorden: “De feestdagen van ’49 zullen we samen zijn lieveke, en alles zal dan goed en mooi zijn. Ik zal dan aan ’48 en ’47 terugdenken als aan een boze droom”.
Op 21 januari heeft hij nog een laatste brief van haar ontvangen. Daarna blijft het weer stil vanuit Holland. Hij schrijft door tot half maart 1949. In zijn laatste brief schrijft hij, doodziek, vanuit een hospitaal in Batavia met onverklaarbare ziekteverschijnselen. De laatste brief is gedateerd 15 maart 1949. Hij heeft in een eerdere brief al aangegeven dat hij denkt dat haar gevoel voor hem is veranderd. Hij blijft ongelooflijk aardig, benoemt zijn vermoedens en blijft zeggen dat hij van haar houdt. Maar hij is er ook van overtuigd dat er voor hen samen geen toekomst is.
Wat zal dit immens zwaar geweest zijn voor hem. Want deze relatie, ook al bestond hij slechts op papier, heeft hem toch die moeilijke jaren door gesleept.
Waarom ging mijn vader als vrijwilliger naar Nederlands-Indië?
Je zou toch denken dat hij na vijf jaar tweede wereldoorlog wel genoeg van oorlog zou moeten hebben. Maar zelf schrijft hij in één van zijn brieven: “Ik voelde een zekere verplichting om Indië mee te helpen bevrijden, dat toen nog onder Japanse bezetting was”.
Als ik terugdenk aan mijn vader realiseer ik me dat hij geïnteresseerd was in alles wat met leger en oorlog te maken had. Ergens schrijft hij letterlijk dat hij “een zwak heeft voor het leger”. Oorlogsfilms, oorlogsboeken, documentaires op tv, oorlogsmusea, bouwpakketten van tanks en gevechtsvliegtuigen, interesse in oorlogsgraven. Waar kwam die fascinatie voor alles wat met het leger te maken had vandaan?
Als de tweede wereldoorlog uitbreekt is hij 22 jaar. Hij duikt onder in Valkenburg, samen met zijn broer Dick, maar wordt in april 1944 gearresteerd en naar een krijgsgevangenkamp in Muhlberg, Duitsland, gebracht. Eind mei 1945 wordt hij vrij gelaten en keert terug naar Nederland. Al snel besluit hij zich vrijwillig aan te melden voor “de goede zaak” in Nederlands-Indië. Begin september van dat jaar wordt hij als Korporaal verbonden aan de Expeditionaire Macht in Eindhoven. Op 18 september vertrekt hij naar Engeland voor zijn training, half februari 1946 keert hij hiervan terug. Op 1 mei 1946 komt hij bij het 3e bataljon van het Regiment Grenadiers. In die hoedanigheid vertrekt hij op 3 oktober naar Nederlands-Indië met MS Tegelberg.
Als hij in 1949 terugkeert uit Nederlands Indie is hij inmiddels 31. Tijdens de jaren dat hij in de kracht van zijn leven is, was het oorlog.
Was het de zucht naar avontuur?
“Daarbij kwam nog een zekere dosis avontuur”. Woorden van mijn vader waarin ik hem niet herken. Misschien heeft de tijd in Nederlands-Indië hem voorgoed genezen hiervan. Van mijn moeder heb ik namelijk wel eens gehoord dat hij angst had voor nieuwe dingen. Angst om een huis te huren toen hij al twee kinderen had en nog bij zijn ouders inwoonde, angst om van werkgever te veranderen, angst om op vakantie te gaan zelfs in Nederland, het liefst bleef hij thuis. Veilig. Vertrouwd. Voorspelbaar. Hij had zich in zijn leven al te vaak onveilig gevoeld.
Was het de schoonheid van het land waar hij in het begin zo lyrisch over schrijft?
“De mensen die over de schoonheid van het land overdreven hebben, hebben zelfs nog te weinig gezegd. Voor mij is het min of meer het beloofde land.”
“Als je op patrouille gaat geniet je de eerste paar uren van de onvergelijkelijke schoonheid van de Indische morgen.”
Meer van dit soort prachtige beschrijvingen zien we vooral in het eerste jaar van zijn schrijverij terug. De schoonheid van het land heeft hem echter nooit doen besluiten nog eens terug te gaan, zoals zijn broer wel heeft gedaan. Mijn oom Dick is op latere leeftijd samen met zijn vrouw en inmiddels volwassen zoon en schoondochter terug gegaan naar de plekken die hij zich nog kon herinneren.
Was het het idee dat hij daar hetzelfde zou kunnen gaan betekenen als de geallieerden hier? Dacht hij onthaald te worden als bevrijder? De informatie van de overheid heeft dat willen doen geloven, maar niets daarvan berustte op waarheid. Het ging om het terug veroveren van de koloniën, het ging om geld, want zoals vaak werd gezegd: “Indië verloren, rampspoed geboren”. En dat alles over de ruggen van jonge mannen in de bloei van hun leven.
Er is zeker in het begin van de tijd dat hij in Nederlands-Indië zat sprake geweest van daar blijven:
“Ik wil in Indie gedemobiliseerd worden en hier een betrekking zoeken.“
In de eerste brieven lees ik regelmatig dat hij niet van plan is terug te keren naar Nederland. Want hij vindt dat ze in Nederland niet de juiste beslissingen nemen ten aanzien van Nederlands-Indië. Woest kan hij worden over het gebrek aan daadkracht vanuit Nederland. Hij hoort de verhalen over de opinie van de Nederlanders thuis en kan zich daar vaak niet in vinden.
Ook zijn broer, die een half jaar eerder naar Nederlands-Indië is gegaan, is vastbesloten te blijven. Maar ook hij heeft niet de daad bij het woord gevoegd.
Voor mijn vader is het zo heel anders verlopen dan hij zich had voorgesteld.
Ik kan me niet herinneren dat mijn vader zijn fotoboek ooit zelf inkeek. Het heeft al die jaren in de kast gestaan en nooit heeft iemand erin gekeken of vragen over gesteld.
80 jaar later
Dat er over en weer ook heel veel brieven niet zijn aangekomen is duidelijk. Zowel luchtpost als post die met schepen werd vervoerd kwam niet altijd aan op de plaats van bestemming.
Gesprekken met de vrouw van zijn broer Dick en kinderen van zijn zus leren ons dat er nooit iemand over Lies heeft gehoord. Van de brieven die Lies heeft ontvangen van zijn zus Ada en van zijn moeder wisten mijn beide nichten helemaal niets. Blijkbaar is er bij zijn terugkomst in Nederland duidelijk gezegd dat er nooit en te nimmer gesproken mocht worden over Lies.
En daar heeft iedereen zich aan gehouden.
Na lancering van de podcast is er nog een pakket met brieven opgedoken. Daarin zaten de brieven van mijn tante en oma aan Lies, maar ook nog brieven van weer andere mannen.
Maar daarin zat ook eindelijk een portretfoto van Lies. Lies heeft een gezicht gekregen.
Nawoord
Er is inmiddels al bijna 3 jaar verstreken tussen de e-mail van Heleen en vandaag de dag, september 2026. Het heeft mij heel veel opgeleverd.
Het schrijven van een boek was altijd al een wens. Ik schrijf graag en het heeft me ook al het één en ander opgeleverd, niet qua geld, maar op andere fronten zoals o.a. het behalen van mijn HAVO-diploma met een 10 voor mijn verhaal Nederlands.
Het heeft me in contact gebracht met allerlei tot dan toe mij onbekende mensen, zoals Heleen en Wieky die de geweldige podcast “Liefste Lies” hebben gemaakt.
Elisabeth Schouten uit Sittard die een hele mooie bijdrage heeft geleverd aan de podcast vanuit de persoon Lies heb ik mogen leren kennen.
De leden van de ‘mannen van de Tegelberg’ groep die ieder met haar of zijn eigen verhaal de herinneringen aan hun vader of grootvader een plek proberen te geven.
Herco Lim van radio Haarlem105 bij wie ik in de studio over mijn vader mocht vertellen.
Mijn ‘grote’ zus Annemargreet die niet alleen alle aandenken van mijn vader aan Nederlands-Indië had bewaard, maar met wie ik het hele avontuur samen ben aangegaan. Allebei vanuit onze eigen herinneringen. Regelmatige zeiden we tegen elkaar “papa zou eens moeten weten….”.
Ook ben ik weer in contact gekomen met familieleden die ik al lang niet meer gezien en gesproken had.
Maar het belangrijkste wat het me heeft opgeleverd is de manier waarop ik nu aan mijn vader denk. Inmiddels is hij niet langer die ‘grumpy old man’, maar een vader waar ik trots op ben. Vooral de brieven over ‘zijn’ mannen die hij uit benarde posities moest redden, zijn aandacht in het album aan zijn gesneuvelde maat, de manier waarop hij over ‘zijn moedertje’ schrijft en de dingen die hij voor haar verzwijgt om haar niet extra ongerust te maken, het heeft mij een hele andere vader getoond.
Ik heb nog niet zo heel lang geleden een keer over hem gedroomd. Ik kwam hem tegen en we omhelsden elkaar. Ik rook zijn bekende geur van Old Spice. Toen ik wakker werd heb ik nog een tijdje liggen nagenieten van deze droom, zo bijzonder voelde het.
Binnenkort is het 3 oktober, 80 jaar later. We zullen die dag herdenken. En wie weet wat voor mooie ontmoetingen daar nog uit voortvloeien.






