Terug naar hoofdinhoud
Klaas Bruinsma

29 oktober 1946, na debarkeren in Tandjong Priok door naar Meester Cornelis

Door Hilma Bruinsma

Klaas Bruinsma beschrijft de aankomst van de Tegelberg in Tandjong Priok. ‘We lagen nog maar net aangemeerd toen mijn maat z’n broer al zag staan. Wij werden verwelkomd door de kwartiermakers. Een groot bord met Welkom 6- RVA. Voor de andere afdelingen was er niets te zien. Onze jongens hadden bananen meegenomen die ze ons toegooiden, het was af!

Om 2 uur gingen we van boord, voor die tijd mocht niemand er af. Om half 9 lagen we al aan de kade en natuurlijk moest D. met z’n broer praten. Ik liep met corveeërs mee die bagage van boord brachten, langs de MP bij de loopbrug. Toen moest Klaasje natuurlijk ook even kijken, liep op z’n dooie eentje langs de MP-er, keek hem even aan en stapte op de kade. Alsof ik de jongens ophaalde.

Aankomst contingent 7 dec. divisie aan boord Tegelberg in Tandjong-Priok 29 oktober 1946. De artilleristen hebben hun kameraden op de Tegelberg ontdekt en een daverend gejuich breekt los.

MS Tegelberg

Ieder kreeg 10 sigaretten en een blikje bier. Direct in vrachtwagens naar de plaats van bestemming gebracht. De eerste indruk is moeilijk. Ik weet nog nergens van. Kan wel zien dat Indië oorlog gehad heeft. Alles maakt een verwaarloosde indruk. Batavia ligt 20 km landinwaarts, de natuur is er niet zo mooi als op Sabang. Net als thuis zijn er 100.000-den bomen en planten weggehaald.

Naar Meester Cornelis, in huisjes 3 à 4 km buiten Batavia in de 1e Staatsspoorbaan. Met vijf man in een huisje met open ramen met zonneblinden ervoor. We hebben een slaapkamer, een kamer waar we eten en drie kamers die we niet gebruiken. Elektrisch licht, een tafel, bank en twee kasten. Luxueus. Achter het huis de baadkamer, een betonnen bak waar we niet in mogen wassen maar met een blik water uit scheppen en zich zo wassen (mandiën). Lekker fris. Het wordt alle dagen bijgevuld. We slapen op opvouwbare brancards (tampatje) die heerlijk liggen. Hij slaapt op zijn deken. Het is warm maar ik kan er best tegen.

Over het eten valt moeilijk iets te zeggen, alles komt uit blik. Het brood is best. Het is echt waar, we hebben een baboe, een meisje van 15 die voor ons zorgt. Van rijkswege aangesteld, zorgt dat de etensblikken weer schoon worden. Ook hebben we een jongen die schoenen poetst en de kamer schoonhoudt en allerhande karweitjes opknapt. Je kijkt er vreemd van op, en vreemd is het ook, maar hier is het gewoon. De jongen moeten we zelf betalen.

Je moet ze flink achter de broek zitten en niet te veel geven. Hebben ze een gulden dan zie je ze een paar dagen niet, dan hebben ze genoeg om even van te leven.

Klaas op z’n tampatje

Ze lopen er half naakt bij, sommigen in vodden. Geef je ze kleren dan zie je ze een paar dagen later weer in hetzelfde terug, verkocht op de passar (markt), leven van de opbrengst tot ze geen cent meer hebben. Ook zijn ze ontzettend vindingrijk. Ik heb medelijden met de stumpers, ik zal wel te goed blijven, als je goed bent komen ze zeuren, geef je ze sigaretten, verkopen ze die. Sommigen vloeken hen stijf en geven soms een aframmeling. Er moet heel wat gebeuren voordat ik dat doe. Maar ook weer niet te goed zijn want dan nemen ze een loopje met je. We staan er nog zo ontzettend vreemd en onwetend in.

We moeten nog heel veel leren. Nadat we geïnstalleerd waren en te bikken hadden gekregen, hutspot, wel heerlijk, gingen D. en ik wandelen, het is veilig.

Op straat is het vies en vuil. Passar langs de straat in bamboe kraampjes of zo op straat, etenswaren, sigaretten, dranken, de meest onmogelijke dingen. De handelaren, meestal Chinezen, zitten er op hun hurken bij. Daar tussendoor krioelt het van de kinderen en vrouwen. Er ligt vis die zwart van de vliegen is en een stank waar je misselijk van wordt. Ik pen maar wat me in het hoofd opkomt, ik kan er onmogelijk een fatsoenlijk verslag van maken. Ik schrijf er later verder over.’