Terug naar hoofdinhoud
K. Talsma

Dit is mijn levensgeschiedenis

Door Wiebe Talsma · kind van een Indië-ganger

Beste aanwezigen, lieve lotgenoten,

Ik sta hier vandaag voor jullie als een kind van een Indië-ganger. Voor velen buiten deze zaal is die geschiedenis inmiddels niet meer dan een voetnoot in de schoolboeken. Maar voor mij – en ik vermoed voor velen van jullie – is het een onzichtbare draad die door ons hele leven loopt. Een draad die we niet zelf hebben gekozen, maar die ons wel heeft gevormd. Een draad die stil bleef, maar nooit losliet.
Zoals in het document staat: “Een draad die stil bleef, maar nooit losliet.”

Ik groeide op in een huis vol stilte. Geen gewone stilte, maar die zware, dreigende stilte die als kind in je botten kruipt. De stilte waarin je je adem inhoudt zonder dat iemand het je vraagt. Soms duurde die stilte weken. Het was een stilte waarin ik wilde vluchten, een stilte waarin ik leerde dat geluid gevaarlijk kon zijn en dat je maar beter niet kon bestaan.
“Het was een stilte die soms wekenlang duurde… waarin je leert dat geluid gevaarlijk kan zijn.” Waar je nauwelijks adem durfde te halen.

K. Talsma

Ik wist nooit wanneer het zou knallen — en het knalde nooit. Maar de spanning bleef. Dag na dag, jaar na jaar. Ik leerde mezelf kleiner maken dan ik was. Onzichtbaar, onhoorbaar, onschadelijk. Altijd met het gevoel dat ik er eigenlijk niet mocht zijn. En ik vermoed dat mijn broers en zussen dat ieder op hun eigen manier ook zo hebben gevoeld. Ik weet het niet heb geen contact meer met hen, in de familie ben ik altijd anders geweest en dat leidde tot spanningen waardoor ik het contact verbroken heb.

Als kind zocht ik naar lucht, naar ruimte, naar veiligheid en warmte. Ik slenterde vaak alleen door het dorp en over de landerijen. Niet omdat ik graag alleen was, maar omdat het thuis te zwaar voelde: te vol van spanning, te leeg van warmte. Ik had geen echte vrienden, en als ik er al één had, durfde ik hem niet mee naar huis te nemen. Thuis was geen plek om te laten zien; thuis was een plek om te verdwijnen. Hoe vaak en dat tot op de dag van vandaag voel ik me vaak eenzaam ook in gezelschap.

Mijn mem was vaak overspannen en werd regelmatig opgenomen in rusthuizen, soms ver weg zoals in Rheden en of Doesburg. Waar die overspannenheid vandaan kwam — of het door de uitzending van onze vader kwam, of door de spanningen thuis — ik weet het niet. In die periodes werden wij als kinderen verspreid over familie of opgevangen bij de boer waar heit werkte, een man die ons liefdevol in huis nam.
“Hij bracht ons dan met onze heit in zijn Vauxhall naar mem in het rusthuis, alsof we zijn eigen kinderen waren.”

Maar zelfs in die warmte voelde ik schuld. Alsof ik dankbaar moest zijn dat ik bestond. Alsof ik geen ruimte mocht innemen. En nog vaak overkomt het gevoel van dankbaarheid me, dat ik er niet mee kan omgaan.

In dat huis van stilte gebeurde ook geweld waar nooit over gesproken werd, maar wat ik wél hoorde: de klappen, het huilen, het geluid van de riem op de blote billen van mijn broertje omdat hij niet zindelijk was. Hij was niet koppig; hij was bang, vol spanning en emotioneel verwaarloosd, zoals we allemaal emotioneel verwaarloosd zijn. “Niemand greep in. Niemand beschermde hem.”
Een knuffel of een zoen of aanraking was ons vreemd.

Mijn broer liep op zijn achttiende weg. Jarenlang hoorde ik niets. Toen hij uiteindelijk terugkwam op aanraden van zijn vrouw, zei hij nog steeds niets. Hooguit ‘ja’ of ‘nee’. Tot op de dag van vandaag is er geen contact. Dat doet pijn. Meer pijn dan het gebrek aan contact met de rest van de familie. Bij hem voel ik een werkelijk verlies: een broer die nooit écht is teruggekomen. En nog steeds vraag ik me af: had ik hem moeten vasthouden? Had ik hem moeten zoeken? Had ik hem moeten beschermen? Beschermen was natuurlijk geen optie hij was 8 jaar en ik was 3 jaar ouder

Mijn heit was een harde werker. Eerlijk, plichtsgetrouw, geliefd door zijn werkgevers. Hij had humor, vooral met een borrel op verjaardagen. Maar achter die glimlach zat een man die dingen had meegemaakt waar nooit woorden voor kwamen: de oorlog, Indië, verlies, verantwoordelijkheid. Misschien schuld. Misschien een leven dat te zwaar was om te dragen.
Zoals je schrijft: “Hij sprak er nooit over, behalve over de lieve bevolking, het eten en de prachtige natuur — dan twinkelden zijn ogen.”

We zagen zijn nachtmerries. Zijn schrikreacties. Zijn diepe onrust. Zijn angst dat hij in het hiernamaals gestraft zou worden voor wat hij had gedaan — of niet had kunnen voorkomen. Die angst vrat aan hem en maakte dat hij niet kon delen, niet kon helen. Wat heeft hij daar gedaan in het verre Indië ingedeeld bij 1-6 RVA en 2-6 RVA als richter van een stuk geschut zijn er doden gevallen bij het beschieten van kampongs. Deed hij het met tegenzin en alleen op bevel…….heeft hij gedood, het lijkt me wel aannemelijk. Maar hem neem ik het niet kwalijk, de schuldigen lezen jullie later in mijn geschiedenis.

Pas veel later, door verhalen en herkenning in Facebookgroepen voor nakomelingen, begreep ik dat heit iets droeg wat groter was dan ik. Iets waar ik niet naar kon vragen. Ik droeg zijn oorlog zonder te weten wat die oorlog eigenlijk was.

En ja, ik heb daar ook een deel van meegekregen. Altijd op je hoede zijn. Het liefst met de rug tegen de muur. Een schrikreactie bij elke aanraking, zelfs als ik wéét dat ik aangeraakt ga worden. Mijn kleinkinderen en ook collega’s plagen of plaagden me ermee. Ik vind het niet erg — het is wie ik ben.

Stilte blijft moeilijk. Dan komt de gedachte weer boven: heb ik iets verkeerd gedaan? Het heeft me gevormd. Ik heb therapie gehad en nog steeds ondersteuning. Ik ben gediagnosticeerd met ADHD en HSP (Hoog Sensitief Persoon). Dat laatste schijnt een gave te zijn, maar soms kan ik die gave missen als kiespijn.

Mijn hele leven heb ik geprobeerd de wereld rustig te houden. Altijd alert, altijd op mijn hoede, altijd klaarstaan voor anderen. Altijd geven, helpen, lief zijn. Ik cijferde mezelf weg om maar niet tot last te zijn. En ja, daardoor ben ik vaak gebruikt — juist door mensen die het heiligst leken.

En toch… was er ook die andere kant. Toen heit opa werd, zag ik een zachte man. Warm, zorgzaam, lachend. En diep vanbinnen voelde ik: dit is de heit die ik had willen kennen.

Sinds mijn vervroegde pensionering ben ik langzaam aan het veranderen. Door mijn vrijwilligerswerk bij de Zonnebloem leerde ik iets nieuws: dat ik mag bestaan zonder eerst te hoeven geven. Dat warmte zonder voorwaarden bestaat. Dat ik waarde heb zonder perfect te zijn. Iets in mij is zachter geworden. Iets heelt wat nooit woorden heeft gehad, had die heling maar jaren eerder plaatsgevonden.

Als ik nu aan mijn heit denk, zijn dit mijn laatste woorden aan hem:

Heit, ik hâld fan dy.

Ik had zo graag met je gesproken. Zo graag met je naar herdenkingen willen gaan. Maar ik wist het destijds niet. Ik was een kind dat alles voelde, maar niets begreep.

In Schaarsbergen bij herdenkingen waar ik kwam met ook een oud veteraan uit Sneek, tussen de graven en de stilte, voelde ik je nabij. Alsof je even naast me stond. De brok in mijn keel, het huilen dat me nader stond dan het lachen — dat gevoel had ik ook in Leeuwarden.

Nu ga ik samen met jouw kleinzoon naar de Yndiëbetinking yn Ljouwert. Dat voelt goed. Hij begrijpt mij, maar ook jouw worstelingen. Hij was trots op je, en jij op hem.

Heit… ik hâld fan dy.

Mijn ouders hebben het beste met ons voor gehad, maar ze konden het niet overbrengen. Ze hebben geroeid met de riemen die ze hadden. Ik neem hen niets meer kwalijk.
Waar het misging, lag voor een groot deel aan de toenmalige regeringen en de elite, die bezig waren met herkoloniseren en roven — en dat mocht slachtoffers kosten.
Wat zei Wilhelmina ook alweer… “Indië verloren, rampspoed geboren.”

Beste lotgenoten, onze vaders konden niet praten. Maar wij kunnen dat nu wel. Door ons verhaal te delen, dragen we de last niet meer alleen. En hoeven we niet meer onzichtbaar te zijn.