Terug naar hoofdinhoud
Arend Luttik

De Tegelberg - Het oog op Arend

Door Johan Luttik

Toeterende schepen en scheepjes, een blazende en trommelende fanfare op de kade en zwaaiende en roepende mensen op de kade, de scheepshoorn klinkt, het is een kakofonie van geluiden als de Tegelberg langzaam de haven van Amsterdam verlaat. Het is 3 oktober 1946. De lange vaart naar ‘ons Indië’ begint. Ditmaal geen demonstraties tegen de afvaart van troepen, zoals eerder al wel is gebeurd. Alles verloopt in goede sfeer.  De soldaten aan boord zijn vol verwachting van het avontuur, sommigen hebben hun bedenkingen. De inzet van het Nederlandse leger in Indië is uniek. Voor het eerst in de koloniale geschiedenis gaan dienstplichtigen overzee. Het is zelfs tegen de grondwet en toch gebeurt het. Want ‘Indië verloren, rampspoed geboren’. Het vertrek van de Tegelberg met zo’n 2500 jonge soldaten is omgeven door politieke discussie, maar de mannen aan boord zijn vooral bezig met hun eigen ervaring. Voor velen is het de eerste keer dat ze van huis gaan en dan direct naar de andere kant van de wereld. Het is iets bijzonders en alle reden om in brieven en dagboeken uitgebreid over de ervaringen te schrijven. Daarom zijn er van deze reis ook diverse verslagen overgebleven. Arend heeft alleen foto’s in zijn album met korte bijschriften. Anderen hebben hele epistels geschreven. Zo is daar een verslag in het Fries: “As de boat los fan de kade is wurde we útkonfoaid troch ferskate boatsjes. Fan de wâl of oan ien wei it lûd fan floiten en sirenes as lêste groet.”  En daar gaan ze dan. Jonge mannen uit alle provincies van ons land om voor het voortbestaan van het Nederlandse wereldrijk te strijden.

Arend Luttik

Al eerder schreef ik over Joop Sloksoede. In een van zijn brieven schrijft hij onderweg op de Tegelberg: “De meest wilde geruchten in verband met de wapenstilstand doen nu de ronde. De dienstplichtigen hopen natuurlijk allemaal dat het doorgaat en ik en nog veel andere vrijwilligers hopen dat één of ander extremistenbendetje een schot lost, zodat wij een excuus hebben en er zo gauw en zo hard mogelijk op los kunnen gaan.” 
Joop had als oorlogsvrijwilliger zijn opleiding in Engeland gevolgd en wilde die kennis graag in praktijk brengen. De wapenstilstand was verbonden met de gesprekken in Linggadjati, waar Nederland en de Republiek Indonesië tot een bestand kwamen. Het gaf sommigen de (achteraf ijdele) hoop dat het conflict op vreedzame wijze kon worden opgelost.

Ook in het verslag over het peloton van Arend staat een beschrijving van de reis, dat begint met: „Tegelberg”, … bij het horen van deze naam lopen ons de koude rillingen weer over de rug en schokt onze maag van de oedeem-stuipen. Vreselijk hoe we toen, althans wat voeding betreft, behandeld zijn. Het passeren van de sluizen te IJmuiden, in de schitterende verlichting van „onze” schuit, was prachtig en imposant. Na een paar dagen wennen aan allerlei nieuwigheden passeren we op 7 Oct. ’46 Gibraltar met zijn machtige rots..”

Wat betreft de voeding, geeft het verslag van Tom Alders, die als dienstplichtig militair aan boord is, meer beeld: “Dinsdag 22 okt. ’46 … de stemming aan boord werd er niet beter op. Opgeroepen werd om de warme hap niet meer te gaan halen. In een discussie zei een korporaal dat er zo misschien wel doden zouden kunnen vallen; waarop een overste antwoordde; Nu, dan gaan ze maar dood! Tegen 17.30 uur hield een arts van hospitaal een toespraak: Het eten is goed, alleen smakeloos klaargemaakt. Als je de maden uit de pap vist is deze goed te eten. De aardappelen moet je maar even pitten en de kool kun je zelf wel even klein snijden. Het eten is dus goed en als je het weggooit heb je jezelf er mee. Ook de soep, warm water met een hele aardappel, is goed! Klap op de vuurpijl was wel, dat het broodrantsoen verlaagd zou worden.”
Elders schrijft Alders over maden van 2 centimeter die uit de soep komen. Dat geeft toch wel een beeld over de omstandigheden. Arend zelf herinnerde zich goed de hangmatten waar ze in sliepen. Ook niet het toppunt van comfort als je slingerend in een hangmat je rust moet krijgen.

Het verslag van Arend’s peloton eindigt met de beschrijving met de aankomst in Tanjong Priok, de bekende haven van Jakarta:
”29 Oct. 46 Ons eigenlijke werk begint dus vandaag. Al vroeg zijn we present en we maken duizend en een veronderstellingen over de andere boten die uit de ochtendschemering opduiken. Maar dan is het tijd om van de boot af te gaan, en met de enkele vinger die we nog vrij hebben vissen we een tinnetje hier, wat sigaretten, Wimpie Welfare en de lach van een schattig V.H.K.-stertje [5]op. Als afkoeling hierop direct op 3 tonners en over het „eiernetje” naar Buitenzorg, onderweg alsmaar voor Sinterklaas spelende. Dezelfde avond reeds staan we op wacht in het tegenwoordige Garnizoensziekenzaaltje van het 14e Batt.”
Dezelfde dag dat ze van boord gaan, arriveren de mannen dus al in Buitenzorg of Bogor zoals het nu heet en worden ze gelegerd in de kazerne aldaar, waar ook het Garnizoensziekenzaaltje een plek heeft.

Een paar jaar later, eind 1949, is er voor de terugreis veel minder aandacht. De reis met de Johan van Oldenbarneveldt wordt in het gedenkboek afgedaan met: “Over de reis zelf zullen we het niet hebben, hij was in elk geval beter dan de  heenreis.”  Men was blij dat het achter de rug was. Het was geen avontuur meer, maar een deceptie. De omgeving deed er niet meer zo toe. Iedereen was vol van zijn eigen gedachten en eigen ervaringen van meer dan drie jaar in de tropen. Niemand op de Tegelberg had kunnen bedenken dat het ruim drie jaar zou duren voor de terugkeer naar huis. Dan was er zeker een muiterij uitgebroken aan boord van de Tegelberg. Zover is het ondanks het beroerde eten en de slechte omstandigheden niet gekomen.