Dat was zijn waarheid.
Dat was zijn houvast.
Dat was zijn stille verzet.
De stilte waarin hij leefde
Mijn vader is in 1996 overleden.
Hij heeft altijd gezwegen.
Geen verhalen.
Geen details.
Geen nachtelijke bekentenissen.
Maar nu zie ik dat die stilte geen leegte was.
Het was een muur.
Een bescherming.
Een manier om te leven met iets wat hij niet kon delen.
Hij kwam terug in een land dat hem vertelde dat hij goed werk had gedaan.
Maar van binnen voelde hij misschien iets heel anders.
En niemand vroeg ernaar.
Ik vroeg er niet naar.
Omdat ik het niet wist.
Omdat niemand het wist.
Omdat wij als kinderen ook de nachtmerries niet begrepen.
Omdat we de langdurige stiltes niet begrepen.
De stilte waarin ik nu terugkijk
Nu, jaren later, zit ik soms in de avondrust
—
daar in Mantgum, waar de lucht zo breed is dat gedachten
ruimte krijgen
—
en denk aan hem.
Aan zijn handen.
Aan zijn schouders.
Aan zijn blik.
Aan de manier waarop hij werkte, zweeg, leefde.
Ik kende hem van de buitenkant.
Maar die buitenkant was een harnas.
Een manier om te leven met een binnenkant die nooit mocht spreken.
En nu, in de stilte van mijn eigen leven, hoor ik hem bijna.
Niet in woorden, maar in de ruimte tussen de herinneringen.
In dat ene gesprek.
In die ene zin:
“
Maar we hebben ook veel goeds gedaan.
”
Nu begrijp ik wat hij bedoelde.
Nu zie ik hem zoals hij werkelijk was.
Nu kan ik hem eindelijk de arm om zijn schouders leggen die ik toen niet kon geven.