De erfenis van de Indië-oorlog en de muur van stilzwijgen
Als een van de nabestaanden van de Indië-gangers heb ik de drie afleveringen van De brieven aan Joop Hueting gevolgd. Deze geschiedenis achtervolgt me al jaren, en ik voel nu de behoefte om te reageren. Als nabestaande wil ik mijn eigen gedachten en de feiten, zoals ik die ken, eindelijk onder woorden brengen.
De uitzending van De brieven aan Joop Hueting maakte destijds veel los. Tot iemand eindelijk brak en het land wel móést luisteren. Die iemand was Joop Hueting. Niet iedereen was blij: veel veteranen zagen hem als verrader.
Wat betreft de politiek die hem destijds het zwijgen op wilde leggen of hem naar de achterkamertjes wilde dirigeren: de geschiedenis heeft hem inmiddels in het gelijk gesteld. Pas decennia later, na grootschalig archiefonderzoek (zoals het onderzoek dat in 2022 werd gepresenteerd), erkende de Nederlandse staat dat er sprake was van structureel extreem geweld en dat de politiek destijds wegkeek. Hueting brak de "muur van stilzwijgen" die de politiek zo graag overeind had gehouden.
Dit gaat niet over een “mooie” geschiedenis. Dit gaat over het feit dat onze vaders en opa’s zijn gebruikt. Gebruikt als uitvoerders van een politiek die zij niet bepaalden. Gebruikt in een oorlog die geen oorlog mocht heten. Gebruikt en daarna teruggestuurd in stilte, met de opdracht te zwijgen.
Ik schrijf dit omdat dat zwijgen nog steeds in ons lichaam zit. Omdat wij de spanning dragen van wat zij niet mochten zeggen. Omdat de stilte die hen knevelde generaties lang is doorgegeven alsof het erfgoed was. Daarom noem ik de dingen bij hun naam.
De waarheid
- Het blijkt dat Wilhelmina vasthield aan het koninkrijk alsof het haar laatste houvast was. Indonesië was voor haar geen kolonie, maar een deel van haar rijk; een deel dat niet mocht worden losgelaten. Haar woorden over een “nieuwe verhouding” waren diplomatiek, niet oprecht. Achter de schermen oefende zij druk uit op ministers, gouverneurs en de koers van het land.
- Het blijkt dat onder haar invloed kabinetten aantraden die de koloniale lijn voortzetten: kabinet-Schermerhorn/Drees, kabinet-Beel I, en later Drees-Van Schaik. Zij steunde de harde lijn en onderschatte het Indonesische nationalisme tot het einde. De overdracht van 1949 voelde voor haar als verlies. Haar aftreden in 1948 was ook een manier om de dekolonisatie niet onder haar naam te laten plaatsvinden. Dit is geen oordeel; het blijkt simpelweg uit de historische bronnen.
- Het blijkt dat prins Bernhard zich tussen Den Haag en de frontlinies bewoog alsof hij een eigen politieke en militaire agenda hanteerde. Hij onderhield nauwe persoonlijke relaties met de legerleiding, sprak rechtstreeks met generaal Spoor en bezocht regelmatig de troepen. Zijn aanwezigheid wekte bij de soldaten de onterechte indruk dat de Kroon onvoorwaardelijk achter hun acties stond. Hiermee was Bernhard geen neutrale toeschouwer, maar een actieve katalysator in de escalatie van het geweld. Generaal Spoor, de opperbevelhebber in Indonesië, had een uitgesproken afkeer van wat hij zag als de ‘slappe knieën’ van de Haagse politiek. Prins Bernhard deelde die opvatting volledig. Via zijn directe contacten met Spoor omzeilde hij bewust de minister van Oorlog en daarmee de democratische controle. Door Spoor de rugdekking van de Kroon te geven, legitimeerde hij een steeds vrijere interpretatie van militaire bevoegdheden, inclusief het structureel overschrijden daarvan. Achter de schermen hield Bernhard militaire opties open via informele, persoonlijke kanalen, vaak buiten het zicht van de regering en soms zelfs in directe tegenspraak met de officiële diplomatieke lijn. Het effect was destructief: in de hoogste kringen ontstond het beeld dat een harde aanpak niet alleen werd gedoogd, maar ook moreel werd bekrachtigd door het staatshoofd.
- Het blijkt dat er een machtsblok was dat de onafhankelijkheid van Indonesië tegenwerkte. Minister-president Louis Beel speelde hierin een centrale rol: onder zijn kabinet werd de eerste politionele actie uitgevoerd. Politici durfden zelden tegen de wens van de koningin in te gaan. Militairen voelden morele ruggensteun, waardoor de drempel voor geweld lager werd. Onderhandelingen sleepten voort, niet alleen door diplomatie, maar door ideologische overtuiging. Dit is geen beschuldiging; het blijkt uit de archieven hoe de structuur werkte.
- Het blijkt door de oorlog een “politionele actie” te noemen, hield men officieel de schijn op dat het slechts om “ordehandhaving” ging. Daarmee ontweek de Nederlandse staat bewust haar internationale oorlogsrechtelijke verplichtingen. Het was een taalkundige truc die moest verhullen dat de regels van oorlogvoering wél golden — maar simpelweg niet werden erkend. Zo kon men doen alsof het recht niet van toepassing was, terwijl iedereen wist dat dit slechts een rookgordijn was.
- Het blijkt dat de Grondwet bepaalde dat dienstplichtigen alleen met toestemming naar de koloniën mochten worden gestuurd. De regering omzeilde dit via het noodtoestand-argument: de situatie in Indië werd als “buitengewoon” bestempeld. Met de noodwet van 1947 konden dienstplichtigen (jaargangen ’45 t/m ’49) wettelijk gedwongen worden uitgezonden. Zo werden tienduizenden vaders, zonen en broers — die dachten hun land na de Duitse bezetting eindelijk te helpen opbouwen — in uniform gehesen en op schepen gezet.
- Het blijkt dat de politiek het de naam gaf "politionele acties". Het was een term bedoeld om de wereld zand in de ogen te strooien en de soldaten het gevoel te geven dat ze ordehandhavers waren. Maar eenmaal daar, in de verstikkende hitte, ontdekten de jongens de bloedige leugen. Al snel werd duidelijk dat hun aanwezigheid weinig met recht of orde te maken had. De rook van brandende kampongs prikte in hun ogen en in de gezichten van de bewoners lazen ze geen rebellie, maar pure angst. Elke stap bracht hen verder van het verhaal dat hen thuis was verteld. Wat hier gebeurde, paste niet in de nette woorden van ministers en generaals. Het was geen "actie", het was geen "operatie" — het was een oorlog. En zij stonden er middenin, zonder nog te weten waarvoor ze vochten.
- Het blijkt dat ongeveer 5.000 mannen weigerden dienst — de zogeheten “Indië-weigeraars”. Voor hun gewetenskeuze werden zij opgesloten in gevangenissen en kampen zoals Vledder, waar de overheid hen behandelde als landverraders. Niet omdat zij iets misdaan hadden, maar omdat zij weigerden mee te buigen voor een politiek die zelf geen verantwoordelijkheid durfde te dragen.
- Het bleek dat de brieven van ruim 100.000 dienstplichtigen — vaak de enige ongefilterde blik op de werkelijkheid — systematisch werden geopend en gecontroleerd. Zinnen die te veel waarheid bevatten, werden doorgestreept; passages over brandende dorpen, willekeurige arrestaties of wanhopige twijfels verdwenen onder dikke strepen zwarte inkt. Sommige brieven haalden Nederland nooit. Zo bleef het thuisfront in de geruststellende illusie dat hun zonen orde brachten, terwijl de jongens zelf zagen hoe de waarheid werd verminkt nog vóór zij het land konden verlaten.
- Het blijkt dat jongens die dachten te helpen, schreven over hitte, angst, guerrilla en sluipschutters. Ze beschreven het moment waarop ze beseften dat zij als bezetters werden gezien. Naarmate de oorlog voortduurde, werden de brieven donkerder. Ze beschreven platgebrande kampongs, hard optreden tegen gevangenen en de morele schade die zij niet konden uitspreken: niet naar hun ouders, niet naar zichzelf, niet naar elkaar.
- Het blijkt dat in Nederland de onrust groeide, maar de reactie was geen openheid — het was afscherming. Families die vragen stelden, werden behandeld alsof hún twijfel het echte gevaar was. Dienstweigeraars werden opgesloten, bespot, publiekelijk gebrandmerkt, niet omdat ze schuldig waren, maar omdat ze het lef hadden niet te gehoorzamen. De censuur werd aangescherpt; brieven met kritiek verdwenen alsof ze nooit hadden bestaan. Dit was geen toevallige stilte. Dit was een stilte die doelbewust werd afgedwongen door een systeem dat elke vorm van twijfel wilde uitroeien.
- Het blijkt dat toen de jongens in 1950 thuiskwamen, droegen ze een last die niemand wilde zien. Ze kwamen terug uit een oorlog die hun geweten had beschadigd, maar troffen een overheid die vooral wilde vergeten. De kabinetten-Drees keken weg van hun morele verwondingen, alsof zwijgen hetzelfde was als helen. Veteranen kregen te horen: “Houd je mond over wat daar gebeurd is.” En dus slikten ze hun verhalen in, hun angst, hun schuld, hun verdriet. Jarenlang droegen ze hun pijn alleen, omdat het land waarvoor ze waren uitgezonden niet bereid was te luisteren.
- Het blijkt dat dit leidde tot decennialang zwijgen, pas eind jaren zestig doorbroken door de onthullingen van Joop Hueting. Tegen die tijd hadden velen hun woorden al ingeslikt, hun herinneringen opgeborgen en hun schaamte verstopt in stilte.
- Het blijkt dat na 1949 de overheid zichzelf afschermde via amnestie in de overdrachtsovereenkomst en dat de Excessennota (1969) weliswaar “excessen” erkende, maar stelde dat deze verjaard waren of onder de amnestie vielen.
- Het blijkt dat er tot op de dag van vandaag juridische barrières bestaan. De daden in Indië werden nooit erkend als oorlogsmisdaden volgens internationaal recht. Door de juridische definitie “excessen” te gebruiken, pleitte de top zich vrij van levenslange vervolging.
- Het blijkt dat soldaten het zwijgen werd opgelegd. De waarheid die zij hadden gezien, moest worden weggestopt. Ondertussen werden wetten zó aangepast dat misdaden konden verjaren, alsof het verleden vanzelf zou oplossen als je het maar lang genoeg negeerde. En wanneer alles misliep, wees niemand naar het onhaalbare plan van de top. Nee — de schuld werd stilletjes bij de mensen gelegd die het bevel slechts hadden uitgevoerd.
- Het blijkt dat de werkelijk verantwoordelijken de bewindslieden en Wilhelmina waren. Zij werden met eer begraven, hun namen blinkend in de geschiedenisboeken. De vaders en opa’s die terugkwamen, droegen de echte last. Zij droegen de nachtmerries die de top nooit had, omdat eigenbelang altijd zwaarder woog dan het welzijn van de jongens die zij de dood en de morele afgrond in stuurden.
- Dit verhaal legt een pijnlijke waarheid bloot: de ultieme verantwoordelijkheid lag niet bij hen die het geweer droegen, maar bij degenen die de pen hanteerden. Terwijl de uitvoerders in de vuurlinie stonden, wisten de schrijvers hun eigen hachje en reputatie tot het laatste moment veilig te stellen. Hoewel ik in dit schrijven enkele namen heb genoemd, is de lijst van verantwoordelijken in werkelijkheid veel langer.
- Het grootste verraad vond echter plaats bij de terugkeer. De politieke top besefte maar al te goed dat deze 'vuile oorlog' hun reputatie kon besmetten. Terwijl hun namen juridisch werden afgeschermd en hun geweten werd gesust door zelf gefilterde rapporten, konden zij ongestoord slapen. Een schril contrast met de slapeloze nachten van onze vaders en opa's, die de werkelijke last van de strijd met zich mee naar huis namen.
- Wij, nabestaanden, dragen de restanten van dat zwijgen. Wij voelen de spanning tussen wat gezegd had moeten worden en wat nooit gezegd mocht worden. Wij leven met de echo van brieven die niet mochten bestaan. Deze brief is geen aanklacht; het is een erkenning, een weigering om de stilte nog langer te erven.
- Voor hen die nooit hebben kunnen spreken. Voor hen wier stemmen niet alleen zijn genegeerd, maar bewust zijn weggedrukt door mensen die precies wisten wat ze verborgen hielden. En voor ons, die nu wél kunnen spreken — en die geen enkel recht meer hebben om ons achter laf zwijgen te verschuilen. Dit is mijn aanklacht tegen degenen die de muur van stilte hebben gebouwd om zichzelf te beschermen. Dit is wat ik heb gezien, wat ik heb gedragen, wat mij is opgelegd. En dit keer blijft het niet in het donker, hoe hard sommigen ook proberen het daar te houden.
“Onze vaders en opa’s”
- Terugkijkend wil ik iets delen dat lange tijd in stilte leefde. Ik schrijf dit niet om wonden open te halen, maar om ze zacht aan te raken. Zo hoop ik dat ieder van ons wat meer ruimte vindt om terug te kijken zonder hardheid, zonder oordeel.
- Onze vaders en opa’s leefden in twee werelden.
’s Nachts werden ze teruggeslingerd naar Indië — naar beelden die wij nooit hebben gezien, maar die we wel hebben gevoeld. In hun schreeuwen, in het woeste om zich heen slaan, in het zweet dat hen wakker maakte nog voordat iemand hen durfde aan te raken. Ze vochten tegen iets wat allang voorbij was, maar nooit echt is verdwenen. Een oorlog die zich had teruggetrokken in hun lichaam, in hun ademhaling, in de stilte tussen hun woorden.
Onze moeders en oma’s waren de eersten die hen terughaalden naar het heden. Zij schudden hen wakker uit nachtmerries die niet van hen waren, maar die ze toch moesten dragen. Zij leefden naast mannen die soms meer in het verleden woonden dan in het nu.
En dan was er de wereld van overdag. De wereld waarin ze zich vastbeten in werk, in doen, in doorgaan. Nooit stilstaan, nooit omkijken. Alsof beweging het enige was dat hen overeind hield. Alsof rust een deur zou openen naar alles wat ze probeerden weg te duwen.
Wij groeiden op tussen die twee werelden. We zagen niet wat zij zagen, maar we leefden met de echo’s ervan. En misschien begrijpen we nu pas hoe zwaar het is om te leven met een verleden dat nooit helemaal ophoudt. - Tussen die werelden lag een stilte die wij allemaal kennen. Stiltes die zwaarder konden zijn dan het hardste geschreeuw. Stiltes waarin wij als kinderen leerden luisteren naar wat niet gezegd werd. Wanneer het vroeger stil was, voelde dat als de 'stilte voor de storm'. Die stilte voelde niet veilig; ik ervoer geen ontspanning, maar juist de dreiging van gevaar en vluchtgedrag. En nog steeds kan ik moeilijk met stilte overweg; nog steeds word ik onrustig bij stilte.
- In mijn jeugd hoorde ik alleen de verhalen over eten, geuren, de natuur en hoe mijn vader verbonden was met de Indische bevolking. Slechts één keer sprak ik met hem over Indië. Toen zei hij: “We hebben óók veel goeds gedaan.” Achter die mooie herinneringen voelde ik altijd spanning, alsof er een andere werkelijkheid onder lag waarover niet gesproken kon of mocht worden.
- Nu kan ik met meer zachtheid naar hem kijken. Ik zie een man die nooit heeft geleerd woorden te geven aan wat hem kapotmaakte. Een man die probeerde te beschermen door te zwijgen. Een man gevangen tussen herinneringen die hij niet wilde herbeleven en een toekomst die hij ons wilde geven.
- Ik hoop dat deze woorden ons helpen hem niet alleen te herinneren om zijn zwijgen, maar ook om zijn kracht, zijn liefde en zijn menselijkheid. En dat we onszelf ook wat zachtheid gunnen. Dat we kunnen zien dat hun stiltes niet onze schuld waren, en dat hun angsten niet onze last hoefden te worden. Dat we hen mogen herinneren als de man die hij probeerde te zijn én als de man die zijn verleden van hem maakte.