Indië rekent op u
“Rechten en plichten, Indië rekent op u.” Die leus suggereerde wederkerigheid: wie zijn plicht deed, zou ook bescherming, erkenning en rechten krijgen. Het was niet zomaar een slogan; het was het ethische fundament waarop de massale uitzending van dienstplichtigen werd gerechtvaardigd. Een sociaal contract: doe je zware plicht, en de samenleving zal voor jouw rechten zorgen. Voor veel dienstplichtigen, zoals mijn vader, bleek het een lege belofte.
Met de Militaire Politie in de trein naar Rotterdam
Voor de ongeveer 200.000 militairen die tussen 1945 en 1950 werden uitgezonden, onder wie ruim 120.000 dienstplichtigen en oorlogsvrijwilligers, stond de werkelijkheid vaak mijlenver af van die belofte. Dat begon al bij het vertrek. De rook van de locomotief hing als een grauwe deken boven het perron, maar het was niet de geur van kolen die de mannen de adem benam. Het was de verstikkende sfeer van onherroepelijkheid.
Ze stonden dicht op elkaar in de coupés, mannen van nauwelijks twintig, velen nog jongens. De bagage was minimaal, de toekomst onzeker en ver weg, ergens aan de andere kant van de wereld in het verre Indië. De stilte in de trein was zwaarder dan het geratel van de wielen. Af en toe probeerde iemand een mop te vertellen, maar de lach stierf een zachte dood in de keel.
Bij elke tussendeur stonden mannen in het strakke uniform van de Militaire Politie. Hun blik was onbewogen, hun houding een muur. Ze droegen hun wapens niet om de jongens te beschermen tegen gevaar van buitenaf, maar om hen te beschermen tegen hun eigen instinct: het instinct om te vluchten, om terug te keren naar de veilige, vertrouwde wereld van thuis.
Terwijl de trein door het Nederlandse landschap sneed, langs weilanden, molens en dorpjes waar het leven gewoon doorging, voelde mijn vader zich vervreemd. Elk beeld buiten het raam leek te zeggen: kijk, de vrijheid die je achterlaat. Het was dat moment van gedwongen inscheping, dat beeld van de onwrikbare bewakers op het perron, dat zich vastbeet in de ziel. Later, thuis, riep die herinnering aan het kille, georganiseerde transport altijd dezelfde gedachte op: dit was geen democratie meer, dit was de koude hand van de dwang. Je was niets meer dan een nummer dat gehoorzaam de boot op moest.
De scheve balans tussen plicht en recht
Er waren wel plichten, maar nauwelijks rechten. Officieel was er geen sprake van oorlog, maar van “politionele acties”. Daardoor hadden de militairen juridisch een onduidelijke status: ze vochten in een oorlog die van de overheid zo niet mocht heten. Bij terugkomst was er geen nazorg en geen erkenning. Jonge mannen waren gestuurd om “recht en orde” te brengen, maar kwamen terecht in een gewelddadige guerrilla-oorlog waarin de grens tussen goed en kwaad dagelijks vervaagde.
Plicht als dwang
Van een vrije keuze was geen sprake. Om dienstplichtigen te kunnen uitzenden, paste de overheid via noodwetgeving de regels aan, zodat de lichtingen van ’45 tot en met ’49 wettelijk konden worden gedwongen. Wie principieel weigerde, de zogeheten “Indië-weigeraars”, kwam voor de rechter, en de staat won altijd. Nog in 2016, bijna zeventig jaar later, bevestigde de Hoge Raad dat die veroordelingen volgens het toenmalige recht terecht waren. De formele rechtsstaat functioneerde, maar diende de staatsplicht, niet het individuele geweten.
Erkenning die te laat kwam
Het gebrek aan erkenning bij terugkeer is een bekend trauma. Pas veel later kwam er iets van herstel: in 2020 bood koning Willem-Alexander excuses aan voor het buitensporige geweld, en op 17 februari 2022 bood de regering, bij monde van premier Rutte, diepe excuses aan voor het stelselmatige en wijdverbreide extreme geweld en voor het wegkijken door vorige kabinetten. Voor velen kwam die erkenning generaties te laat om nog te helen.
Een eenzijdige rekening
Indië rekende op hen. De staat rekende op hun gehoorzaamheid, op hun lichaam en op hun zwijgen bij terugkeer. Maar de rekening voor de rechten bleef onbetaald. De beloofde bescherming, erkenning en zorg bleven uit. Het systeem eiste alles op en nam weinig verantwoordelijkheid. Voor mijn vader, en voor talloze jongemannen en hun families, werd dat contract structureel geschonden.
